Ik, vertrouw, wanneer ik controle opgeef. In vertrouwen laat ik iets van mij over aan een ander. Die neemt dat aan, op haar of zijn bijzondere wijze. Ik kan niet ingrijpen, zolang ik vertrouw. Ik moet mij voegen in wat en hoe de ander doet. Zodra ik begin te twijfelen en maatregelen ga treffen, zodat iets toch meer volgens mijn ideeen gebeurt, neem ik de controle over en houdt het vertrouwen op. Diegene of datgene dat ik voordien vertrouwde, trekt zich dan van mij terug.
Soms moet ik echter zelf iets ter handen nemen, bijvoorbeeld, wanneer een ander die ik vertrouwde , datgene wat ik hem heb toevertrouwd ter hand neemt alsof het van hem of van haar is, om mij daarmee te kunnen controleren. In plaats van dat hij in overeenstemming met mij, iets vertrouwt dat wij gemeenschappelijk hebben. Hij moet dus ook, net als ik de controle opgeven en vertrouwen op iets dat ons beiden overstijgt. Dan blijkt mijn vertrouwen gerechtvaardigd. Het groeit en verdiept zich en verbindt ons in een gemeeschappelijke opgave, een gezamenlijk doel. Het verbindt ons deemoedig met iets, dat ook veel anderen ten goede komt. Zulk vertrouwen wordt beloond.
Maar ook ikzelf moet in datgene wat ik doe en wat als opgave op mijn pad komt, me toevertrouwen aan iets, dat mij uit het verborgene leidt, iets, dat groter is dan ikzelf en mij in dienst neemt. Daarvoor moet ik eerst vaak eerst stil worden, luisteren en wachten op een impuls die mij als het ware van buiten af grijpt. Ik moet me daarvoor in een bepaalde richting laten leiden die mij misschien angst aanjaagd, omdat ik vrees dat die mijn kracht en kennis en inzichten tot nu toe te boven gaan. Dat is het eigenlijke, allesomvattende waarachtige deemoedige vertrouwen. Dat wordt nooit teleurgesteld.